Nilgün had er alles voor gedaan om te zorgen dat haar moeder een goede oude dag zou hebben. Ze had ingeschreven voor kangoeroe woningen, en die ook gekregen, zodat ze elke dag bij haar moeder langs kon gaan.

Toen haar moeder begon te dementeren, was ze parttime gaan werken. Met hulp van de intensieve en betrokken thuiszorg ging het een tijd lang heel aardig. Maar toen haar moeder uiteindelijk geen Nederlands meer sprak en begon weg te lopen, was het niet meer houdbaar geweest. De thuiszorg kon niet garanderen dat de medewerkers Turks zouden spreken.

Als haar moeder het huis uitliep, moesten ze haar fysiek tegen houden omdat de thuiszorgmedewerkers niet meer met haar konden communiceren. Dat liep uit de hand. Dus kwam haar moeder in een verzorgingshuis terecht. Niemand was daar Turks. Nilgün ging op bezoek
zo vaak ze kon, maar ze zag haar moeders toestand achteruit hollen. Ze kreeg geen prikkels meer en zat daar maar tussen de andere bewoners, ineengedoken in een stoel. Uiteindelijk overleed ze na zeven maanden, zodat Nilgün zich tot op heden afvraagt of ze haar moeder die periode niet in eigen huis had kunnen opvangen, en of ze dan nog geleefd zou hebben.