Al jaren waren de kinderen (Mohamed en Fatima, Ahmed en Meryem) aan het worstelen met de zorg voor hun vader in Brabant. Ze waren met hun vijven, als kinderen, maar de zorg kwam geheel op hen neer.
Aisha woonde in Rotterdam en had een levenswijze waardoor er een kloof was ontstaan tussen haar en hun vader.
Fauzi leidde een project in Marokko, waar hij ook woonde. Jihad probeerde bij te springen waar mogelijk, maar zij was benoemd in de PAVEM-commissie van Maxima, naast haar baan als directeur van een welzijnsinstelling in Enschede, dus hoewel zij deed wat ze kon, was haar beschikbaarheid beperkt en leed zij onder een permanent schuldgevoel.
Toen hun vader gevonden werd met een gebroken heup, werd hij opgenomen in het ziekenhuis en was hij daarna naar een verzorgingshuis gestuurd tot hij weer in staat zou zijn zichzelf thuis min of meer te
redden. Hierover was hij reeds in alle staten, want hij had verwacht bij een van de kinderen thuis te kunnen worden opgevangen.
Eenmaal in het verzorgingshuis kende zijn verontwaardiging geen grenzen. Hij zat hier naast ouderen die deden wat onbestaanbaar was in zijn islamitische traditie. De mensen zaten te spelen met kaarten, en daarbij dronken ze alcohol. In welk duivels huis had men hem terecht laten komen? Hij was zo overstuur dat het verzorgingshuis niet wist wat ze met hem aanmoesten en Ahmed en Meryem hem uiteindelijk toch maar in huis namen.
Meryem nam hiervoor onbetaald verlof op, en Ahmed die in de gemeenteraad zat, zette zijn politieke inzet op een laag pitje. Tegenover gasten raakte hun vader niet uitgepraat over de Nederlanders die zelfs in het aangezicht van de dood nog zaten te kaarten en te drinken. Dankbaar tegenover Meryem of Ahmed toonde hij zich niet – was het immers niet hun plicht hem te helpen?
Voor Meryem, die haar baan tijdelijk had opgegeven, was dat wel heel zuur. Sterker nog, ze moesten nu dagelijks uitgebreid zijn klachten aanhoren. Ook bemoeide hij zich met de opvoeding van de kinderen, die naar zijn idee veel te veel ruimte en vrijheid kregen. Hierdoor kwamen de kinderen minder thuis, ze gingen vaker naar vrienden toe. Ahmed was daarover bezorgd omdat hij wist dat met name de oudste zoon toezicht op het maken van huiswerk nodig had.
Het was vooral aan de imam, die regelmatig zijn gezicht liet zien, te danken dat de situatie enigszins houdbaar bleef. De imam had een gunstige invloed op hun vader en zorgde ervoor dat deze zijn onbegrip periodiek inslikte. Een betere oplossing was er niet.